Nederland en Engeland: de band tussen twee naties > Owen Felltham: blauwdruk voor de stereotiepe Nederlander

Een veel gelezen en invloedrijke tekst over Nederland en zijn bewoners is A brief character of the Low Countries van Owen Felltham (c.1604-1668). Over het leven van de auteur weten we weinig. Felltham was vooral bekend vanwege zijn stichtelijke korte essays gepubliceerd onder de titel Resolves: divine, moral, political. Hij werkte als rentmeester voor Barnabas O'Brien, de zesde graaf van Thomond, op diens landgoed Great Billing, ten noorden van Londen.

A brief character werd waarschijnlijk geschreven in 1623 naar aanleiding van een reis die de auteur als jongeman naar Nederland maakte. Het circuleerde al in talrijke manuscriptversies voordat het in 1648 voor het eerst werd gepubliceerd, eerst in ongeautoriseerde en ingekorte vorm door de weinig scrupuleuze drukker William Ley. In 1652 bracht de drukker Henry Seile de volledige, geautoriseerde tekst op de markt, met een sneer in het voorwoord naar zijn voorganger die het boekje had gereduceerd tot gehakt (‘minced meat’). Seiles editie kwam op een gunstig moment. Vanwege het uitbreken van de eerste Engelse Oorlog lagen anti-Nederlandse werkjes lekker in de markt.

Tot aan 1709 verschenen er achttien drukken, daarna raakte het boekje in vergetelheid. De eerste Nederlandse vertaling verscheen in 1653, anoniem, onder de titel Engelsche Printe, waarin alle de Nederlanders, voorneementlijck Hollandt, naacktelijck (quansuys) werden ontleedet. Vertaler, drukker en plaats van deze uitgave zijn niet bekend. Het werkje van Felltham is niet echt een reisdagboek. Hij vertelt ons niets over zijn reisroute en de plaatsen die hij heeft bezocht, en vermeldt geen enkel concreet detail over een reis. Het is geen reisverslag maar een satirische karakterschets van de Hollanders, doorspekt met wat geschiedkundige wetenswaardigheden, met name over de Tachtigjarige Oorlog. Meer dan op persoonlijke reisobservaties is het verhaal gebaseerd op literaire bronnen: andere reisverslagen zoals de populaire Beschrijvinghe van alle de Nederlanden door Lodovico Guicciardini, maar ook werken over geschiedenis en politiek.

Felltham heeft grote invloed gehad op het beeld dat de Engelsen in de zeventiende eeuw van de Nederlanders hadden, mede doordat veel auteurs na hem weer gegevens aan zijn boek ontleenden. In de context van de vele conflicten tussen Engeland en Nederland in deze periode werden er vaak selectief aspecten aan ontleend die konden dienen als ammunitie om de Hollanders zo zwart mogelijk af te schilderen. In andere teksten worden juist uitsluitend de positieve aspecten van het karakter van de Nederlanders ontleend, zoals in A late voyage to Holland, with brief relations of the transactions at the Hague, also remarks on the manners and customs, nature, and commical humours of the people. In dit boek wordt de reis beschreven die Willem III in 1691 naar Den Haag maakte na zijn overwinningen in Engeland en Ierland op het leger van Jacobus II.

Het waterrijke Holland is bij Felltham een zompig moeras, 'een algemeene stinkende of grondeloose kuyl', oftewel 'een groene kaas, rondom in de pekel'. Het is opgebouwd uit gelijke delen water en modder. Een voordeel van dat het land zo laag ligt, is dat als de Hollanders sterven ze alvast lekker dicht bij de hel zitten. Waarschijnlijk is dat de reden dat mensen die allerlei niet-orthodoxe godsdiensten aanhangen naar Nederland komen: dan zijn ze al een eindje dichter op weg naar hun uiteindelijke bestemming, de hel.

Fellthams boekje bestaat uit twee delen: het eerste behandelt de slechte eigenschappen van de Nederlanders, het tweede hun deugden. Die onderverdeling is niet altijd even scherp, en de nadruk ligt op de negatieve kanten. De veelheid aan ondeugden overtreft de paar goede eigenschappen die ze ook nog bezitten. Nederlanders zijn bot en onbehouwen en leven op een laag niveau van beschaving. Het belangrijkste vinden ze geld en hun vrijheid, die ze beide misbruiken zodra ze die hebben. Aan wetten hebben ze maling. Ze kunnen geen maat houden. Het zijn vreetzakken en dronkenlappen (maar de Engelsen zijn nog erger), geneigd tot overdreven uiterlijk vertoon, zelfgenoegzaam en snel op hun teentjes getrapt.

1623 was het jaar van de Ambonse Moord, waarbij Engelse kooplieden, verdacht van samenzwering tegen het Nederlandse gezag op Ambon door de Nederlanders gemarteld en terechtgesteld waren. Wreedheid was vanaf dat moment een belangrijk ingrediënt van het stereotiepe beeld dat de Engelsen van de Nederlanders hadden. Felltham, die zijn verslag waarschijnlijk schreef nog voordat het nieuws van de Ambonse moord het westen bereikte, haalt een ander voorbeeld van Nederlandse wreedheid aan, uit de Tachtigjarige Oorlog. Nadat de Leidse schans door de Nederlanders was ingenomen, was er een Nederlandse soldaat die het lichaam van een Spaanse kapitein openreet, er het nog kloppende hart uithaalde om het met zijn standen in stukken te scheuren waarna hij de brokstukken uitspoog over de soldaten. Fellthams Nederlandse vertaler tekent hier overigens in de kantlijn bij aan dat rechtschapen Nederlanders deze daad ook verfoeiden.

Felltham, zelf godvruchtig Anglicaan, vindt de godsdienstvrijheid in de Nederlanden veel te ver gaan. In zijn ogen wordt die ingegeven door onverschilligheid. Zo'n beetje iedere godsdienst kan vrijelijk beoefend worden. Ook democratie trekken ze te ver door; gezag en respect voor autoriteit ontbreken. De meid gedraagt zich als de gelijke van de heer en vrouw des huizes, en een onderwijzer mag zijn gezag over zijn leerlingen niet laten gelden met een welgemikte pets, want dan staat zijn pa op de stoep om verhaal te halen.

De voornaamste deugden van de Nederlanders zijn hun soberheid en ijver en hun aanleg voor oorlogvoering. Daardoor zijn ze zo'n belangrijke handelsnatie en militaire mogendheid geworden. Verder is hij positief over hun intellectuele prestaties, de universiteiten, en ook de sociale zorg voor armen en behoeftigen. Sommige deugden beschouwd hij eigenlijk als ondeugden, bijvoorbeeld dat ze zo schoon en netjes zijn, wat echter ten koste gaat van belangrijker zaken. Ze houden hun huis schoner dan hun lichaam, hun lichaam schoner dan hun ziel, aldus Felltham.

Aan het eind van het boekje merkt Felltham zelf op dat de deugden en ondeugden samen nogal een tegenstrijdig beeld geven. Kijk naar je zelf, zegt Felltham. In ieder mens vechten 'menigher-ley humeuren' om de voorrang. En er is geen erger beest op de wereld dan de mens.

> Ga terug naar: Ooggetuigen

Voorbeelden uit deze collectie Nederland en Engeland: de band tussen twee naties

Bekijk alle afbeeldingen uit deze collectie